Wat is een zout?

Zouten zijn stoffen die bestaan uit metaalatomen en niet-metaalatomen. Zouten zijn opgebouwd uit positieve en negatieve ionen. De metaalatomen leveren altijd de positieve ionen. De niet-metaalatomen leveren altijd de negatieve ionen.

Voorbeeld:
Het zout natriumchloride is opgebouwd uit positieve natriumionen en negatieve chloride-ionen.

natriumchloride

Positieve ionen

De metaalionen (= de ionen die gevormd zijn uit metaalatomen) zijn dus altijd positief. Dit komt omdat metaalatomen veel gemakkelijker elektronen kunnen verliezen dan opnemen.

Hoe groot de lading van een metaalion is, kun je voor een deel afleiden uit het periodiek systeem. Zo hebben alle alkalimetalen (groep 1) een lading van 1+ en alle aardalkalimetalen (groep 2) een lading van 2+.

De meeste overgangsmetalen kunnen meerdere positieve ionen vormen. Zo kan een ijzerion een lading van zowel 2+ als 3+ hebben. Dit onderscheid geven we aan met een Romeins cijfer: ijzer(II) en ijzer(III).

Voorbeelden
- koper(I) : Cu+
- koper(II) : Cu2+
- tin(IV) : Sn4+
- tin(II) : Sn2+

Naast de enkelvoudige metaalionen (= metaalionen die uit één atoomsoort bestaan) zijn er ook samengestelde groepjes van niet-metaalatomen die een positieve lading hebben. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn NH4+ (het ammoniumion) en H3O+ (het hydroniumion).

In de onderstaande tabel staan enkele belangrijke positieve ionen vermeld.

lading positieve ionen
1+ Li+, Na+, K+, Ag+, H+, H3O+, NH4+
2+ Mg2+, Ca2+, Ba2+
3+ Al3+, Au3+
1+ of 2+ Cu+ / Cu2+, Hg+ / Hg2+
2+ of 3+ Fe2+ / Fe3+
2+ of 4+ Sn2+ / Sn4+, Pb2+ / Pb4+

Negatieve ionen

Niet-metaalionen hebben altijd een negatieve lading. Dit komt omdat ze gemakkelijker elektronen kunnen opnemen dan afstaan. De naam van de enkelvoudige niet-metaalionen eindigt altijd op '-ide'.

Hoe groot de negatieve lading van een niet-metaalion is, kun je afleiden uit het periodiek systeem. Zo hebben alle halogenen (groep 17) een lading van 1-. De niet-metalen uit groep 16 hebben een lading van 2- en die uit groep 15 een lading van 3-.

Voorbeelden
- Cl : chloride-ion
- O2− : oxide-ion
- N3− : nitride-ion

Naast de enkelvoudige negatieve ionen is er ook een zeer grote groep samengestelde negatieve ionen. Deze ionen bestaan uit groepjes atomen met een negatieve lading. De namen van deze ionen eindigt op '-iet' of '-aat'. Een voorbeeld is het sulfaation SO42−. Dit hele ion heeft dus een lading 2-. We bedoelen dus eigenlijk (SO4)2−.

In de onderstaande tabel staan enkele belangrijke negatieve ionen vermeld.

lading negatieve ionen
1− H (hydride-ion), F, Cl, Br, I, OH (hydroxide-ion), NO2 (nitriet-ion), NO3 (nitraat-ion), CH3COO (acetaation), MnO4 (permanganaation), HCO3 (waterstofcarbonaation of bicarbonaation)
2− O2−, S2− (sulfide-ion), SO32− (sulfietion), SO42− (sulfaation), S2O32− (thiosulfaation), CO32− (carbonaation), CrO42− (chromaation), Cr2O72− (dichromaation), SiO32− (silicaation)
3− N3− (nitride-ion), P3− (fosfide-ion), PO43− (fosfaation)
* Let op: waterstof is een bijzonder geval. Het kan zowel positief (H+) als negatief (H) geladen zijn.
TIP
Zorg dat je de namen en formules van de meest voorkomende negatieve en positieve ionen uit je hoofd kent.

Naamgeving

De naam van een zout krijg je door de namen van het positieve en het negatieve ion achter elkaar te plaatsen.

Voorbeelden
- Na2CO3 : natriumcarbonaat
- NH4Cl : ammoniumchloride
- Fe(NO3)3 : ijzer(III)nitraat
- Pb(OH)2 : lood(II)hydroxide

Formules

Hierboven hebben we al gebruik gemaakt van de wijze waarop je een zout kunt aangeven; door middel van een zogenaamde verhoudingsformule. In een zout zijn de positieve en negatieve ionen in een zodanige verhouding aanwezig, dat de stof als geheel neutraal van lading is.

Voorbeelden
- Een zout bevat Na+-ionen en Br-ionen. Om evenveel pluslading als minlading te krijgen moet de verhouding tussen de ionen 1:1 zijn. De verhoudingsformule wordt dus NaBr.
- Een zout bevat Ca2+-ionen en Cl-ionen. Om evenveel pluslading als minlading te krijgen moet de verhouding tussen de ionen 1:2 zijn. De verhoudingsformule wordt dus CaCl2.
- Een zout bevat Ba2+-ionen en NO3-ionen. Om evenveel pluslading als minlading te krijgen moet de verhouding tussen de ionen 1:2 zijn. De verhoudingsformule wordt dus Ba(NO3)2. Let op de haakjes die om het nitraation staan.
- Een zout bevat Al3+-ionen en SO42−-ionen. Om evenveel pluslading als minlading te krijgen moet de verhouding tussen de ionen 2:3 zijn. De verhoudingsformule wordt dus Al2(SO4)3.

Binding in zouten

Als gevolg van de elektrische aantrekkingskracht tussen een positief en een negatief ion in een zout ontstaat een ionbinding. Een ionbinding is een zeer sterke binding.

Ionrooster

De wijze waarop de ionen in een zout in vaste toestand gerangschikt zitten, noemen we het ionrooster. In het ionrooster zijn ionen door ionen met een tegengestelde lading omringd. Immers, plus-plus en min-min stoten elkaar af terwijl plus-min en min-plus elkaar aantrekken.
In de figuur hieronder is het ionrooster van natriumchloride weergegeven.

Het ionrooster van natriumchloride. De lijnen stellen hier geen bindingen tussen ionen voor.